Bel ons voor info 0294 - 74 50 70

Nieuws item

×

Regelluwe ruimte als versneller van biobased bouwen

Floor Hoogenboezem over de praktijk achter biobased innovatie.

 

De bouwsector staat voor een grote omslag. Waar decennialang vooral met fossiele materialen werd gebouwd, groeit de aandacht voor hernieuwbare en biobased alternatieven. Die ontwikkeling vraagt om nieuwe materialen én om nieuwe manieren van testen, beoordelen en samenwerken. In The Green Village op de TU Delft Campus gebeurt dat dagelijks. Hier krijgen innovatieve oplossingen de kans om zich in de praktijk te bewijzen voordat ze op grotere schaal worden toegepast. Floor Hoogenboezem, projectmanager biobased bouwen en programmamanager van de Biobased Boulevard, houdt zich daar bezig met het verbinden van partijen én het begeleiden van praktijkproeven. Eerder was zij ook spreker tijdens HOUTBOUW.


Van idee naar praktijk
The Green Village is een fieldlab waar innovaties op het gebied van bouwen, energie en klimaatadaptatie onder realistische omstandigheden worden getest. Op het terrein staan onder meer kantoren, jarenzeventigwoningen en houtbouwwoningen die functioneren als proefomgeving. Ook de medewerkers zelf zijn onderdeel van die praktijk. ‘Ons kantoor is ook gewoon een testplek. We proberen een zo echt mogelijke omgeving te creëren met echte gebruikers waaronder bewoners en mensen die er dagelijks werken.’
Voor Hoogenboezem ligt daarin precies de kracht van het concept. Veel innovaties functioneren goed in een laboratorium, maar de praktijk stelt andere eisen. ‘We maken een op het materiaal afgestemde testopstelling waarin de innovatie getest kan worden.’ Dat kan gaan om een nieuwe gevel, een isolatiesysteem of een innovatieve toepassing van reststromen. Op onze vraag naar een voorbeeld noemt Hoogenboezem de Food Waste Facade, een innovatie waarbij organische reststromen worden verwerkt tot biocomposiet gevelpanelen. ‘In de praktijk kwamen we er bijvoorbeeld achter hoe er slim om kan worden gegaan met kleine maatverschillen in de gevelproducten (toleranties) en hoe de bouwers er ook zo snel mogelijk mee kunnen werken. We hebben enorm veel geleerd en dit soort praktische kennis krijg je alleen als je buiten het laboratorium gaat testen.’


Regels uit een andere tijd
Volgens Hoogenboezem lopen nieuwe materialen regelmatig tegen bestaande wet- en regelgeving aan. Die regels zijn immers ontwikkeld voor een bouwsector die grotendeels werkte met beton, staal en andere fossiele materialen. ‘Afgelopen decennia hebben we vooral gebouwd met fossiele materialen. Daar zijn normen en wet- en regelgeving op gebaseerd. Nu zijn we in hoog tempo aan het veranderen.’ Veiligheid en kwaliteit blijven vanzelfsprekend voorop staan. ‘Regels helpen ons om kwaliteit te waarborgen en ons te beschermen. Ze zijn heel nuttig. Maar in dit proces van verandering kunnen ze ook zorgen voor stagnatie. Deze plek waar je in de praktijk kunt testen is nodig om de switch naar een circulaire bouw te kunnen maken.’ Brandveiligheid is daar een goed voorbeeld van. Biobased materialen gedragen zich anders dan conventionele materialen. Dat vraagt om nieuwe kennis en nieuwe beoordelingsmethoden.‘Biobased materialen hebben ander brandgedrag. Dat betekent niet dat ze onveilig zijn. We moeten weten hoe ze zich gedragen, hoe ermee te ontwerpen en hoe de brandweer daarmee om moet gaan om de veiligheid te garanderen.’


Leren van andere landen
Volgens Hoogenboezem hoeft Nederland het niet volledig zelf uit te vinden. In landen als Duitsland en Frankrijk is ecologisch bouwen al veel verder ontwikkeld. ‘In Duitsland worden biobased isolatiematerialen op platte daken toegepast. Dat staat in Nederland nog in de kinderschoenen, testen in een proeftuin kan helpen om beter zicht te krijgen op risico’s zoals condens en daarmee ook vertrouwen te winnen.’ Ook de rol van de overheid is in het buitenland anders dan hier. ‘In Frankrijk wil de overheid in haar rol als opdrachtgever dat een groot deel van de gebouwen met biobased materialen wordt gerealiseerd. Hiermee dragen zij het risico. In Nederland komen die risico’s vaak terecht bij bouwbedrijven en ontwikkelaars. Dat maakt het lastiger om nieuwe materialen snel op te schalen.’ Ondertussen neemt de druk verder toe. Gemeenten stellen steeds vaker eisen aan duurzaamheid, Europese regelgeving wordt aangescherpt en tegelijkertijd blijft de woningbouwopgave groot. ‘We hebben een woningnood. We moeten blijven bouwen, maar het moet duurzamer. Dat is precies het proces waar we nu middenin zitten.’


Niet iedere innovatie is direct klaar
In The Green Village krijgen partijen tijd om hun innovaties verder te ontwikkelen. Afhankelijk van de vraag duurt een test gemiddeld één tot drie jaar. Voor sommige innovaties is het voldoende om alle seizoenen mee te maken, andere worden meerdere jaren gevolgd om bijvoorbeeld vochtgedrag of veroudering te onderzoeken. Niet iedere innovatie blijkt direct klaar voor toepassing in de praktijk. Sommige partijen keren na een eerste proef terug naar de tekentafel. ‘Er zijn zeker innovaties die -nog- niet werken. Soms komen partijen erachter dat iets nog niet helemaal rijp is.’ Dat geldt bijvoorbeeld voor bouwen met aarde. Wereldwijd bestaat daar veel ervaring mee, maar in Nederland ontbreken nog normen en praktijkkennis is gering. ‘Er zijn bedrijven die hun biobased product aanpassen en opnieuw komen testen. Dat zien we veel. Dat hoort ook bij innovatie.’


Kennis en vertrouwen
Volgens Hoogenboezem ligt de grootste uitdaging uiteindelijk niet bij de techniek, maar bij het creëren van vertrouwen. Bouwers, architecten, ontwikkelaars en verzekeraars moeten ervaren dat nieuwe materialen veilig, betrouwbaar en toepasbaar zijn. Daarom ziet zij kennisdeling als een van de belangrijkste voorwaarden voor verdere opschaling. ‘Kennis delen op een manier die voor iedereen begrijpelijk is helpt enorm. Daarmee kunnen we vertrouwen opbouwen.’ De opgave waar de sector voor staat, vat zij uiteindelijk samen in drie woorden: ‘Kennis, vertrouwen en samenwerken. Dat is nodig om deze transitie met elkaar mogelijk te maken.’

Fotograaf: Robert Kroonen